Hongarije 1956: een arbeidersrevolutie tegen de bureaucratie
NL English Français Castellano Português Português (Brasil) Deutsch
Op 4 november 1976, twintig jaar nadat Russische tanks de Hongaarse revolutie hadden neergeslagen, hield de Leuvense werking van de Revolutionaire Arbeidersliga (RAL), de Belgische afdeling van de Vierde Internationale, een publieke meeting in het auditorium De Valk. Er waren een 150 toehoorders, vooral studenten. De spreker was Ernest Mandel. Herman Michiel nam de avond op een cassette op; de vragen en antwoorden achteraf zijn niet opgenomen, en het begin van de inleiding ontbreekt. Hieronder volgt de hele opname, in de vijf delen waarin ze gedigitaliseerd is: de inleiding van Peter Weyns en de vier delen van Mandels voordracht. De tussentitels zijn van de redactie.
Deel 1 (inleiding door Peter Weyns): Ja aan het socialisme, nee aan de stalinistische bureaucratie
[De opname begint midden in een zin.] … is [de strijd van de] Poolse arbeiders tegen de stalinistische bureaucratie het startsein geweest voor de Hongaarse arbeidersopstand. Dat was het begin van wat wij de Hongaarse revolutie noemen. En we gebruiken wel degelijk het woord revolutie, omdat er over wat er in '56 in Hongarije gebeurd is een heleboel mythes bestaan. Een mythe is een verdraaiing van de feiten, en dat gebeurt gewoonlijk door mensen die er belang bij hebben de feiten te verdraaien. Zo hebben de Sovjet-Unie, China en andere verbureaucratiseerde en gedegenereerde arbeidersstaten er belang bij de Hongaarse revolutie af te schilderen als contrarevolutionair, en wel omdat zij dergelijke volksopstanden vrezen. En zo heeft de Europese burgerij, en de burgerij in het algemeen, er belang bij de Hongaarse revolutie af te schilderen als fascistisch, contrarevolutionair en anticommunistisch. Ik geloof dat de redenen daarvoor evident zijn. Wat wij hier vanavond willen doen, is deze mythes doorprikken en aan de hand van de feiten bewijzen dat het werkelijke karakter van de Hongaarse revolutie in essentie antikapitalistisch en antistalinistisch was, wat anderen er ook van mogen beweren.
Een tweede opzet van vanavond is dat we aan de hand van de gebeurtenissen in Hongarije willen tonen welk socialisme we nu eigenlijk willen. We geloven dat de Hongaarse revolutie, en de organisatie van die revolutie in arbeidersraden, nogmaals bewijst dat een valabel alternatief, een valabel socialistisch alternatief, mogelijk is tegen het stalinisme en tegen de bureaucratie. Dat is dus het socialisme dat we willen.
Aan dat democratisch radensocialisme werken de RAL en de SJW. De standpunten van de Vierde Internationale daarover kan men lezen in het brochuurtje hier. En wat de praktijk betreft, geloof ik dat de RAL en de SJW genoeg bewezen hebben dat het hun ernst is met het democratisch radensocialisme. Als we kijken naar de actie van vorig jaar tegen de preambule en tegen de programmawet, dan was het de SJW die hier aan de universiteit de werkelijke motor was van de democratische organisatie en de democratische structurering van heel de actie. En dat willen we in de toekomst natuurlijk nog verder doen. Daarom wil ik deze korte inleiding gebruiken om nogmaals een oproep te doen aan iedereen die geïnteresseerd is om mee te werken met de SJW en met de RAL. Het is belangrijk dat de mensen zich informeren over het standpunt van de RAL en over de standpunten van de SJW, dat ze contact opnemen met de militanten op hun faculteit en dat ze naar de vergaderingen komen. Ik kan meteen de volgende vergadering aankondigen: elke maandag om acht uur gaat in de Sociale Raad de centrale vergadering van de SJW door.
Dan nog een ander punt. Deze avond wordt georganiseerd in samenwerking met de RAL, maar eigenlijk wordt hij georganiseerd door de Stichting Léon Lesoil. De Stichting Léon Lesoil heeft een hele cyclus opgezet, een basiscyclus en een cyclus van meetings over het marxisme, en over het marxisme en een aantal problemen. Voor wie dat programma nog niet kent: er liggen hier affiches, die kunt ge straks meenemen. En wie graag aan de voorbereiding wil meewerken, kan eens langskomen op het lokaal.
Voor de rest nog in het kort de indeling van de avond. Er is ons gevraagd om elf uur te stoppen. Na deze korte inleiding begint kameraad Mandel met zijn uiteenzetting; die zal ongeveer drie kwartier duren. Daarna volgt gedurende tien à vijftien minuten een diareeks over de gebeurtenissen in Hongarije in '56. Dan kunnen er een aantal vragen gesteld worden, en ik stel voor om dat in eerste instantie te beperken tot een zestal. Later kunnen er meer komen, maar eerst een zestal. Daarna is er een korte pauze, en na de pauze gaat de kameraad op de vragen in en kunnen er nog vragen bij gesteld worden. We sluiten de avond om elf uur.
Het rest mij niet veel meer dan het woord te geven aan de kameraad. Misschien mag ik het motto nog eens herhalen, het overduidelijke motto waaronder deze avond doorgaat: Ja aan het socialisme! Neen aan de stalinistische bureaucratie!
Deel 2 (Mandel, I): Waarom Hongarije in opstand kwam
Wel, kameraden. Over de feiten, tenminste in hun meest algemene vorm, is er weinig twist. Twintig jaar geleden is de overgrote meerderheid van de loon- en weddetrekkenden in Hongarije in opstand gekomen tegen de bestaande politieke orde. Na de interventie van het Sovjetleger, het Russische leger, heeft die opstand de vorm aangenomen van een confrontatie tussen de Hongaarse arbeidersklasse en dat Russische leger. Gedurende ongeveer drie weken, drie, vier weken, heerste er in Hongarije een algemene werkstaking. Er was geen productie, er was geen verkeer, er was dagen en dagen lang geen lopend water, geen gas, geen elektriciteit, geen trams. De Russische troepen in hun kazernes en hun kampementen kregen geen brood, geen water en geen bevoorrading. De Russische bevelhebbers waren gedwongen met de vertegenwoordigers van de democratisch gekozen arbeidersraden te onderhandelen. In de Centrale Arbeidersraad van Boedapest zetelde een kolonel van het Sovjetleger met een tolk; hij nam aan alle beraadslagingen deel, en hij was wel gedwongen dat te doen, omdat er absoluut geen mogelijkheid bestond om normale economische verhoudingen te herstellen en de productie opnieuw op gang te brengen, tenzij door met de producenten te onderhandelen. En de producenten zegden: "Ge kunt met ons alleen onderhandelen als ge met onze vertegenwoordigers onderhandelt, en onze vrij gekozen vertegenwoordigers, dat zijn de leden van die arbeidersraad."
Waarom die machtige arbeidersstrijd, een van de meest eensgezinde en best georganiseerde die we in de twintigste eeuw hebben gekend, uiteindelijk toch niet heeft gewonnen, zal ik op het einde van deze uiteenzetting nog kort behandelen. Maar dat het zo'n arbeidersstrijd was, staat los van alle andere factoren. De twist, de discussie, gaat over die andere factoren; hij gaat nauwelijks over de feiten zelf. Die worden in werkelijkheid door niemand betwist. Dat er ginder zo'n brede arbeidersstrijd heeft plaatsgevonden, met de steun van alle andere werkende lagen van de bevolking, met de steun van de boeren, van de intellectuelen en van de stedelijke kleine burgerij, dat geeft aan die Hongaarse revolutie of die Hongaarse volksopstand, men mag het noemen zoals men wil, een zeer scherp omlijnd karakter.
We moeten ons dus eerst de vraag stellen: hoe was dat mogelijk? Hoe is het mogelijk, ondanks het akkoord van Jalta, dat Europa in twee invloedssferen heeft verdeeld, de westerse en de Russische? Ondanks het feit (men spreekt nu van vreedzame co-existentie en van de twee supermachten) dat de Amerikaanse supermacht geen schot heeft gelost om de Hongaarse zogezegd contrarevolutionaire opstand te hulp te komen, en de verdeling van Europa in twee invloedssferen in 1956 strikt heeft gerespecteerd? Ondanks het feit dat de Hongaarse bevolking zich sterk geïsoleerd voelde van de rest van de wereld, op tragische wijze geïsoleerd tegenover een oppermachtige grote mogendheid, de Sovjet-Unie, met het machtigste leger van Europa? Hoe komt het dat die opstand toch heeft plaatsgevonden?
Ik geloof dat we daar vijf redenen voor kunnen aangeven, vijf centrale redenen.
In de eerste plaats, en dat is verreweg de belangrijkste reden van die opstand, van die revolutie, is er het feit dat we het in Hongarije te doen hadden met een politiek regime waarin de politieke macht werd uitgeoefend door een kleine groep bureaucraten, functionarissen, door één fractie van de Hongaarse communistische beweging, de fractie-Rákosi-Gerő. Die was totaal geïsoleerd van de arbeidersklasse, totaal geïsoleerd van de werkende bevolking. En ik moet eraan toevoegen: totaal geïsoleerd van de massa van de communisten. Ze regeerde nog alleen met geweld, met terreur, met de geheime politie, door politieke tegenstanders op te sluiten, zo niet te folteren. En dat isolement had een omvang aangenomen die onhoudbaar was geworden voor de massa van de communistische militanten, en zelfs voor een groeiend deel van de communistische functionarissen.
Ge kunt zeggen dat zo'n dictatoriaal bewind van een geprivilegieerde, bevoorrechte bureaucratie ook in andere landen van Oost-Europa bestaat, en in de Sovjet-Unie, en dat dat op zichzelf nog geen reden is voor een revolutie, of tenminste niet verklaart waarom op een bepaald ogenblik een revolutie uitbreekt. Dat is juist. De tegenstelling ligt hierin dat zo'n dictatuur van een zeer kleine groep ambtenaren, geïsoleerd van de arbeidersklasse en van de rest van de bevolking, maar mogelijk is en maar op den duur kan blijven bestaan zolang de werkende klasse passief is. Zolang de werkende klasse gedepolitiseerd is, niet aan politiek doet, zich niet met politiek bezighoudt en niet probeert zelf invloed uit te oefenen op de leiding van de economie, de huishouding en de staat. We kunnen dus zeggen dat wat dat bewind in 1956 onhoudbaar heeft gemaakt, een groeiende politieke bewustwording en een groeiende politieke activiteit was van de ene laag na de andere: eerst van de intellectuelen, de studenten en de jeugd, en daarna van de arbeidersklasse, in de maanden en de dagen die aan 23 oktober 1956 voorafgingen. De hoofdreden van die revolutie is dus de onoverkomelijke tegenstelling tussen een geïsoleerde bureaucratische dictatuur van een kleine fractie aan de top van de Communistische Partij van Hongarije en de groeiende bewustwording en politieke activiteit van steeds bredere lagen van de werkende bevolking: in de eerste plaats jeugd, studenten, intellectuelen en arbeiders.
De tweede reden, die met de eerste verband houdt maar er niet helemaal mee samenvalt, ligt in het feit dat na de grote draai van de Russische staats- en partijleiding in 1955 (toen Chroesjtsjov naar Belgrado kwam en openlijk erkende dat Stalin en de leiding van de internationale stalinistische beweging ongelijk hadden gehad, toen zij de Joegoslavische communisten als verraders, fascisten of spionnen hadden verketterd, uit de Kominform hadden gesloten en van buitenaf hadden geprobeerd de partij- en staatsleiding af te zetten die de grote meerderheid van de Joegoslavische communisten erkende), dat vanaf dat ogenblik, en nog sterker vanaf het Twintigste Congres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie in februari 1956, in alle Oost-Europese communistische partijen een hevige fractiestrijd aan de gang was tussen verschillende groepen en stromingen van de stalinistische beweging. Zeer vereenvoudigd, en dat is simplistisch, maar enfin, kunnen we die herleiden tot een strijd tussen de liberalen, de fractie die voorstander was van een zekere democratisering van het bewind, en de behoudsgezinde, conservatieve, oerstalinistische fractie, in Hongarije vertegenwoordigd door Rákosi en Gerő.
Het symbool van de liberale fractie in de Hongaarse partijleiding was, en zeer tegen zijn eigen bedoeling in, want het was een weinig energiek en weinig dynamisch man, de vroegere eerste minister Imre Nagy. Die was met zeer bureaucratische middelen afgezet en uit de partij gesloten. En daardoor was hij, ik zeg het nog eens, buiten zijn eigen wil en zeker buiten zijn eigen initiatief om, in de ogen van brede lagen van communistische militanten, vooral arbeiders- en boerenmilitanten, een symbool geworden van, laten we zeggen, mild verzet, milde weerstand tegen het oerstalinisme.
En de roep "Neem Imre Nagy terug op in de partij, in de partijleiding, in het Centraal Comité en in de regering" werd luider en luider binnen de Communistische Partij van Hongarije, vanaf het einde van '55, het begin van '56, en vooral na het Twintigste Congres. Meer en meer militanten en kaders zegden: "Het Twintigste Congres heeft bewezen dat Nagy gelijk heeft gehad, en dat wij altijd gelijk hebben gehad toen wij ons verzetten tegen de meest brutale en laaghartige vormen van terreur, zoals ze onder Rákosi en Gerő werden toegepast."
Internationaal hangt dat samen met gelijksoortige gevechten die toen plaatsvonden in de Poolse en in de Tsjechoslowaakse Communistische Partij. In de Poolse partij is het doorheen heel het jaar 1956 tot een zeer hevige fractiestrijd gekomen in de leiding en onder de kaders. Het symbool van de liberale vleugel van de bureaucratie in Polen was Gomułka zelf, dezelfde soort figuur als Nagy, al was hij energieker en ook minder betrouwbaar dan Nagy, dat zou ik er wel aan toevoegen, vanuit het standpunt van de arbeidersklasse gezien.
Om Gomułka terug in de partijleiding te brengen, is het in Polen tot een zeer sterke arbeidersbeweging gekomen: grote stakingen, fabrieksbezettingen, ook de vorming van arbeidersraden, een reusachtige betoging van bijna een half miljoen man in Warschau. De Russen hebben toen gedreigd ook militair tussenbeide te komen om dat te verhinderen. Chroesjtsjov is persoonlijk op een zitting van het Centraal Comité van de Poolse Communistische Partij verschenen om de terugkeer van Gomułka te verhinderen.
De Chinezen, en ik kom daar in mijn besluit nog even op terug, omdat het zo tegenstrijdig is, de Chinezen hebben de liberale communist Gomułka verwoed verdedigd tegen de stalinisten in Polen. Zij hebben gedreigd, publiek gedreigd, dat zij bij een militaire interventie in Polen openlijk partij zouden kiezen voor de Polen. En dat heeft waarschijnlijk een rol gespeeld, niet de beslissende rol, maar een rol, om wat we de machtsgreep van Gomułka kunnen noemen, als ge dat zo wilt noemen, mogelijk te maken.
Het is trouwens interessant te zien dat Gomułka op de beslissende zitting van het Poolse Centraal Comité, die ook op 23 oktober plaatsvond, juist op het ogenblik dat de Hongaarse revolutie begon, in zijn verslag (hij was toen al herkozen als eerste secretaris) juist dezelfde argumenten heeft gebruikt als Nagy. Het verslag van die zitting werd later in een half miljoen exemplaren gepubliceerd in het theoretisch tijdschrift van de Poolse Communistische Partij, en was op een paar dagen uitverkocht. Op welk gebied? Hij heeft de terreur aan de kaak gesteld, het misbruik van administratieve middelen, het aanhouden en folteren van politieke tegenstrevers, het onderdrukken van de rechten van de arbeiders in de bedrijven, het niet erkennen van het stakingsrecht. In het verslag van Gomułka staat een heel hoofdstuk over de noodzaak het stakingsrecht te erkennen, dat nota bene ook in de jongste wijziging van de Chinese grondwet officieel wordt erkend, zelfs voor een socialistisch land.
Al diezelfde punten staan in het platform van Nagy, waarvoor Nagy heel het jaar '56 in de Hongaarse Communistische Partij strijdt, en waarrond zich een min of meer georganiseerde fractie begint te vormen, met vergaderingen. De beroemdste of beruchtste waren die van de Petőfi-kring, van intellectuelen, in Boedapest. Maar dat was maar een klein stukje. In zekere zin belangrijker waren de vergaderingen van de studenten aan de universiteit, de vergaderingen van jeugdorganisaties, de vergaderingen in de bedrijven, de vergaderingen in de vakbonden. Want zo'n beweging, zoals trouwens later in Tsjechoslowakije in '68, loopt, eens ze van stapel loopt, parallel door alle belangrijke werkende lagen van de bevolking. Eens de mensen politiek actief beginnen te worden en de tongen loskomen, zegt iedereen wat hij op zijn hart heeft. En dat zijn allemaal dezelfde of gelijksoortige verzuchtingen, wensen en eisen als die welke ik zojuist heb opgesomd.
De derde reden van de opstand is een bijzonderheid van Hongarije, die in Polen geen of maar een bijkomstige rol heeft gespeeld, omdat zulke nare dingen in Polen gelukkig niet zijn gebeurd, en nog minder in Tsjechoslowakije, al was daar wel reden geweest voor dezelfde stimulans. Dat was een geweldige verontwaardiging, niet alleen in communistische kringen, vooral bij de oudere communisten en communistische kaders, maar in brede kringen van de bevolking, over het treuzelen van de staats- en partijleiding om alle conclusies te trekken uit de rehabilitatie van de communistische slachtoffers van het stalinisme zelf.
Zoals ge waarschijnlijk weet, was de algemene secretaris van de Hongaarse Communistische Partij in de illegaliteit degene die het verzet tegen de nazi's en tegen de Hongaarse fascisten had geleid. Hij had de grootste aanhang, omdat hij niet zoals Rákosi twintig of vijftien jaar in het buitenland was geweest en pas na de Russische bezetting naar Hongarije was teruggekomen, maar in het land was gebleven en daar de strijd tegen de fascisten had geleid, met een zeer groot risico voor zijn leven, vanzelfsprekend. Hij was de populairste figuur onder de Hongaarse communisten, en hij had ook (dat is niet zo sympathiek als ge zoudt willen, maar enfin, het is een objectief feit) de belangrijkste rol gespeeld bij de verovering van de macht door de Hongaarse communisten, op zeer bureaucratische wijze, in de jaren '47 en '48. László Rajk werd als verrader, fascist, titoïst, nationalist, chauvinist en wat weet ik nog voor domme beschuldigingen veroordeeld, ter dood veroordeeld en terechtgesteld tijdens de beruchte processen van de jaren '49 tot '51. In Tsjechoslowakije was hetzelfde gebeurd met de algemene secretaris van de Tsjechoslowaakse Communistische Partij, Slánský. In Bulgarije was hetzelfde gebeurd met de secretaris van de Bulgaarse Communistische Partij, Kostov.
Waarom die zuiveringen in die periode op zo'n schandalige en onmenselijke wijze hebben plaatsgevonden, daar willen we niet te veel tijd aan verliezen; dat is niet het onderwerp van deze uiteenzetting. We kunnen het waarschijnlijk hoofdzakelijk herleiden tot één factor. Stalin en de stalinistische fractie wilden een bloedstreep trekken tussen degenen die blindelings alle Russische bevelen opvolgden en die stalinistische leiders van Oost-Europa van wie men dacht dat zij, door hun betrekkelijke populariteit en hun betrekkelijke basis onder de communistische militanten, ooit in de verleiding zouden kunnen komen het voorbeeld van Tito en van Mao Zedong te volgen, dat wil zeggen een zelfstandige communistische politiek in hun eigen land te voeren. Elke verleiding om zo'n zelfstandige weg in te slaan moest dus kapotgemaakt worden, door alle kandidaat-Tito's en kandidaat-Mao's in die landen voor te stellen als verraders, fascisten, trotskisten, titoïsten, contrarevolutionairen en misdadigers.
Goed, na de rehabilitatie van Tito in 1955 was het vanzelfsprekend niet meer mogelijk die oude communistische militanten nog langer verraders te noemen, want de hoofdbeschuldiging was dat zij agenten van Tito waren geweest. Als Tito een fascist is, oké, dan is een agent van Tito ook een fascist. Maar als Tito geen fascist meer is, maar een goed communist… Ge herinnert u misschien de beroemde of beruchte verklaring van Chroesjtsjov toen hij op het vliegveld van Belgrado uit het vliegtuig stapte: "Diepgeliefde kameraad Tito, diepgeliefde Joegoslavische kameraden, wij vragen u uit de grond van ons hart vergiffenis voor het onrecht dat wij u hebben aangedaan onder de druk van de provocateur Beria." Die werd dan natuurlijk tot zondebok verklaard voor al die zaken. Na zulke opzienbarende openbare verklaringen, die door heel de Oost-Europese pers werden gepubliceerd, was het vanzelfsprekend niet meer mogelijk de pseudo-titoïsten (want Rajk is nooit een echte titoïst geweest, evenmin als Slánský of Kostov), mensen die men tot titoïstische agenten had verklaard, nog langer voor te stellen als misdadigers, fascisten en verraders. Het kwam dus tot een, laten we zeggen, half officiële, gedeeltelijke rehabilitatie van die oude communistische leiders.
Ongeveer hetzelfde is in de Sovjet-Unie gebeurd na het Twintigste Congres. Men erkent wel dat die processen allemaal leugens waren, dat de beschuldigingen tegen de oude Russische communisten gelogen waren. Maar men riskeert niet hen openlijk te rehabiliteren, omdat men schrik heeft van de gevolgen. En inderdaad kunnen zulke rehabilitaties geweldige gevolgen hebben, een echte kettingreactie op gang brengen. Want er zijn zeer vele medeplichtigen geweest aan die aanhoudingen en veroordelingen, en vele, vele van die medeplichtigen hebben daarna zeer belangrijke posities behouden. Chroesjtsjov zelf is een van de hoofdschuldigen aan de repressie, op kleine schaal, in de Oekraïne. Hij was toen geen grote baas, hij was maar een klein baaske. Maar enfin, de kleine baaskes hebben in hun gewesten, in dorpen en steden, ook duizenden onschuldigen laten veroordelen en deporteren. En natuurlijk zijn zij ervoor teruggedeinsd de volledige rehabilitatie van al hun slachtoffers te laten erkennen.
Hetzelfde is dus ook in Hongarije gebeurd. Maar daar is, door de grote populariteit van Rajk en door de aanwezigheid van zijn weduwe, Júlia Rajk, een goede communistische militante die trouwens nu nog altijd in Boedapest leeft en die zich zeer actief heeft ingezet om haar man in ere te laten herstellen, een grote volksbeweging op gang gekomen, en die is een van de ontstekers van de opstand geweest. Enkele weken voor de opstand is de eerste grote massabeweging in Boedapest een betoging van meer dan tweehonderdduizend man, die de weduwe Rajk, die alleen vooropstapt, door de straten van de Hongaarse hoofdstad volgt naar de tweede begrafenis van Rajk. Ditmaal is de officiële begrafenis niet die van een misdadiger, maar die van een communistische verzetsstrijder, een edel communistisch militant.
En de vierde reden van de opstand is, als ge wilt, de som van nationale wrijvingen, van economische en politieke aard. Het nationale, of het nationalistische (we mogen het gerust zo noemen) element in die opstand is zeer groot. De Hongaren, het Hongaarse volk, voelen zich onderdrukt door een grote vreemde mogendheid, de Sovjet-Unie. Zij voelen zich uitgebuit door een vreemde mogendheid. Daar zit een element van overdrijving in, en er zit ongetwijfeld, absoluut, een element van waarheid in.
Deel 3 (Mandel, II): Wat voor revolutie?
Vele kameraden, vooral de maoïsten, geloven dat de economische uitbuiting van de landen van Oost-Europa pas bestaat sinds het kapitalisme daar in 1956 op geheimzinnige wijze is hersteld. In werkelijkheid bestaan er elementen van economische uitbuiting sinds de eerste dag van de Russische bezetting, sinds 1944–1945.
En als we de zaken van dichtbij bekijken, moeten we erkennen dat die economische uitbuiting onder Stalin, in de eerste jaren van de bezetting, veel erger is geweest dan later. Ik geef maar één feit, één onder vele. Onder Stalin heeft men in Hongarije, zoals in de andere door de Russische legers bezette gebieden, economische instellingen ingevoerd die zich openlijk (het lijkt vandaag bijna ongelooflijk) Sovjet- aandelenvennootschappen noemden: maatschappijen die eigendom waren van de Sovjet-Unie, die op vreemd grondgebied arbeidskracht uitbuitten en grondstoffen en afgewerkte producten naar de Sovjet-Unie brachten. Ze handelden dus zoals vreemd kapitaal in het buitenland handelt. Die vennootschappen zijn blijven bestaan tot '53, tot na de dood van Stalin. En als ze toen ontbonden zijn en teruggegeven aan het Hongaarse volk, zoals ze werden teruggegeven aan de Oost-Duitse en de Oostenrijkse bevolking en aan de bevolking van de andere landen van Oost-Europa die toen door het Russische leger bezet waren, dan is dat niet omdat de opvolgers van Stalin betere mensen zijn dan Stalin zelf. Het is omdat het verzet tegen die vormen van uitbuiting zo groot was geworden dat het tot een eerste uitbarsting heeft geleid: de arbeidersopstand in Oost-Duitsland van 1953.
Het is na die arbeidersopstand, en dat is een van de positieve resultaten die hij heeft bereikt, dat de Sovjetregering gedwongen werd de Sovjet-aandelenvennootschappen in Oost-Europa op te heffen en in het algemeen haar greep op de economie van die landen te verzachten. Ik zeg niet volledig op te geven, maar te verzachten; die greep bestaat trouwens vandaag nog, milder dan onder Stalin, maar nog altijd met zeer vele negatieve en onaangename verschijnselen. Daar komt bij dat de politieke leiding van de Hongaarse Communistische Partij en van de Hongaarse regering door de overgrote meerderheid van de bevolking werd aangevoeld als stadhouders van een vreemde mogendheid: niet als gekozen vertegenwoordigers van de Hongaarse arbeidersklasse, maar als rechtstreekse vertegenwoordigers van de Russen, van de vreemde heersers en onderdrukkers.
En ongetwijfeld is het Hongaarse nationale gevoel, zoals het Poolse, historisch anti-Russisch, om historische redenen die heel goed bekend zijn. De grote burgerlijk-democratische revolutie in Hongarije, de revolutie van 1848, is door de Russen, door de Russische tsaren, onderdrukt. De tsaren hebben toen troepen naar Hongarije gestuurd om het bewind van de Oostenrijkse keizers te herstellen, dat door de Hongaarse revolutie was omvergeworpen. En het Rusland van de tsaren werd in Hongarije, zoals in Polen, vereenzelvigd met contrarevolutie, onderdrukking en dwingelandij.
Dat is bijvoorbeeld niet het geval in Tsjechoslowakije. Het is niet het geval in Bulgarije of in Joegoslavië, waar een andere historische traditie bestaat: de traditie van het panslavisme als gedachte, van de steun van Rusland aan de bevrijdingsstrijd van de kleine Slavische nationaliteiten. Daar bestaat historisch geen anti-Russisch gevoel, helemaal niet; zelfs onder de burgerlijke en reactionaire regeringen van voor en na de Eerste Wereldoorlog heerste daar, vanwege die historische traditie, een zekere sympathie voor gelijk welke Russische regering. Ge kunt dus zeggen, en dat is een feit, dat rechtse stromingen in Hongarije na 1945 nationalistische elementen hebben kunnen inschakelen in gelijk welke politieke beweging, door de anti-Russische traditie die daar heerste.
Dat is een feit. Maar het is ook een feit dat de bijzondere vorm van politiek regime, van politiek bewind, die de stalinistische fractie daar had ingevoerd, dat buitengewoon gemakkelijk heeft gemaakt, en vooral dan de eerste interventie. Ik zou zeggen: er is daar een keerpunt gekomen. Voor 23 oktober waren alle oppositionele krachten, zelfs de anticommunistische, om zeer duidelijke redenen buitengewoon voorzichtig, en vermeden ze elke formule te gebruiken die men vanuit Russisch standpunt als vijandig of dubieus zou kunnen beschouwen. Het is interessant te zien dat zelfs de Hongaarse sociaaldemocraten, toen zij aan de vooravond van 23 oktober nog in de illegaliteit zaten, het lidmaatschap van Hongarije van het Pact van Warschau niet openlijk in vraag hebben durven stellen. Dat was niet uit diepe overtuiging, want zij zijn zeker geen voorstanders van het Pact van Warschau, maar omdat ze de Russen geen voorwendsel wilden geven om tussenbeide te komen; dat spreekt vanzelf.
Ze hebben een gelijksoortige houding aangenomen, als we een parallel mogen trekken, als de Italiaanse en de Franse communisten vandaag, die zeggen: "Ja, als wij minister worden, dan gaan wij de NAVO niet verlaten. Want als we zouden zeggen dat wij de verdragen die door onze staten zijn ondertekend zouden verbreken, dan zou het feit dat wij minister worden onmiddellijk aanleiding geven tot een grote internationale crisis. En wij willen de Amerikanen geen voorwendsel geven om zo'n crisis te ontketenen." Of dat juist of verkeerd is in het geval van de Italiaanse en de Franse communisten, daar wil ik het niet over hebben. Ik wil alleen wijzen op het parallelle van die situatie.
Voor 23 oktober werd dus, ondanks de grote vijandigheid onder de bevolking tegenover wat men de Russische uitbuiting en de Russische vreemdelingen noemde, het lidmaatschap van Hongarije van het Pact van Warschau door niemand in vraag gesteld. Het kwam in geen enkel politiek programma voor dat men in Hongarije besprak. Maar dan kwam de eerste militaire interventie, toen de Russen tanks hebben laten rollen tegen de Hongaarse arbeiders en studenten en hebben geschoten. (Men moet het ook niet overdrijven: er is op 23 oktober geen geweldig bloedbad gebeurd, maar de militairen zijn wel tussenbeide gekomen.) Het bloedbad werd ontketend door de ÁVO, de geheime politie van de Hongaarse stalinisten, die op een ongewapende menigte voor Radio Boedapest heeft geschoten en daardoor de volkswoede heeft ontketend. Die hebben echt de rol van provocateurs gespeeld, waarschijnlijk bewust. Na die eerste militaire confrontaties is het anti-Russische gevoel en het Hongaarse nationalisme geweldig de hoogte in gegaan, en gedurende de volgende weken is het nationale element in die opstand ongetwijfeld een zeer belangrijk element geweest.
We mogen ons geen illusies maken. Datzelfde was het geval in Tsjechoslowakije in '68, en datzelfde zal overal in Oost-Europa het geval zijn. Dat is onvermijdelijk. Wanneer ge daar een toestand hebt waarin de militaire macht van een grote mogendheid, de Sovjet-Unie, bepalend blijkt voor het politieke regime in elk van die landen, dan heerst er vanzelfsprekend een stilzwijgend verzet tegen die onaanvaardbare en ondemocratische politieke toestand. En zodra de politieke gevoelens tot uiting kunnen komen, zullen die onder meer ook zeer scherpe anti-Russische gevoelens met zich meebrengen. Of dat positief of negatief is, hangt ervan af hoe men tegenover de Sovjet-Unie, tegenover de Sovjetregering staat, maar het is een gevolg. Het is geen oorzaak, het is een gevolg van vormen van bewindsvoering die vanuit socialistisch standpunt, vanuit het standpunt van de arbeidersdemocratie, de radendemocratie of de socialistische democratie, onaanvaardbaar zijn. Als gij de nationale gevoelens en de nationale verzuchtingen van vele grote volkeren onderdrukt, dan zult gij daar vroeg of laat een zware prijs voor betalen. De Russen hebben die prijs betaald in Hongarije in '56 en in Tsjechoslowakije in '68, en zij zullen er in de toekomst nog dikwijls een zware prijs voor betalen. Dat is onvermijdelijk. Of men dat nu betreurt of niet, het is een feit.
We kunnen ons nu dus de vraag stellen: wat was die opstand? Wat was die revolutie? Wat is een revolutie? Een revolutie, zegt Lenin, is een verandering van heerschappijvormen die plaatsvindt wanneer degenen die boven zitten, degenen die regeren, niet meer verder kunnen regeren zoals vroeger, en wanneer degenen die beneden zitten, degenen die normaal geregeerd worden, zich niet meer laten regeren zoals vroeger. In die zin, als ge die twee factoren samenneemt, kunt ge werkelijk zeggen: dat was een revolutie.
Er is niet de minste twijfel aan dat de fractie-Rákosi-Gerő na 23 oktober 1956 in Hongarije niet meer kon regeren. Zij is letterlijk uiteengespat. Daar moeten we trouwens enkele conclusies uit trekken; ik kom zo dadelijk nog te spreken over de aard, de omvang, de duur en de betrekkelijke gemakkelijkheid van een politieke revolutie tegen een heersende bureaucratie in een gebureaucratiseerde arbeidersstaat. Eens de arbeidersklasse massaal in beweging komt, kan die bureaucratie niet meer regeren, juist omdat ze geen klasse is, juist omdat ze geen zelfstandige rol speelt in de maatschappij, in het productieproces, in de normale gang van zaken, omdat ze enkel regeert door usurpatie van de macht van de arbeiders. Eens die arbeiders in beweging komen, kan die bureaucratie niet meer regeren. Ze is letterlijk niet meer in staat een enkel bevel te laten uitvoeren.
En dat is in Hongarije na 23 oktober gebeurd. Er is daar geen ministerie, geen gemeentebestuur, geen provinciebestuur te vinden waar de oude directeurs, de oude heersers, de oude bureaucraten van voor 23 oktober nog iets kunnen bereiken; ik zeg niet bereiken, ze proberen het zelfs niet meer. Heel die administratie spat als een zeepbel uiteen. Zij verdwijnt. Zij is er niet meer. Dat is zo sterk het geval dat er ministeries en administraties zijn (als ik ministeries zeg, moet ge natuurlijk aan een arbeidersstaat denken, waar hele sectoren van het bedrijfsleven ook door ministeries worden beheerd, die dus niet alleen bestuurlijke instellingen zijn maar ook instellingen van het bedrijfsleven, economische administraties zoals trusts en commerciële organisaties), hele administraties waar gedurende twee weken niemand boven een bepaalde rang nog naar het bureau is gekomen. Ze wisten dat ze daar niets meer te vertellen hadden, en sommigen van hen hadden waarschijnlijk schrik. Ik zeg niet voor repressie, want de arbeiders zijn in het algemeen zeer genereus, dikwijls te genereus, wanneer ze de macht hebben; maar tenminste schrik om een paar oorvegen te krijgen en een paar waarheden te horen van de stedelijke bevolking.
Het is interessant, treffend en een bevestiging van de revolutionair-marxistische theorie over het wezen van het proletariaat, in de kapitalistische maatschappij evengoed als in de overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme, dat eens de arbeidersklasse in Hongarije in haar geheel in beweging was gekomen, de verkiezing van arbeidersraden spontaan bijna overal plaatsvond. Het is verbluffend te zien hoe spontaan dat is gebeurd, hoe gelijklopend en hoe analoog. Ik zeg niet identiek, want wanneer de zaken spontaan gebeuren, zijn er altijd verschillen. Maar enfin, hoe analoog het eisenprogramma en het programma van instellingen, laten we zeggen het statutaire programma, van die arbeidersraden overal in Hongarije is geweest.
Het is interessant vast te stellen, en ook dat is voor ons een grote les, omdat het bevestigt wat wij sinds vijftig jaar over de West-Europese en Centraal-Europese arbeidersklasse zeggen, dat de onmiddellijke aanleiding voor de verkiezing van die arbeidersraden de strijd is. De arbeidersraden worden verkozen om de algemene werkstaking tegen de Russische interventie van 23 oktober doelmatig te maken, efficiënt te maken. Dat is de onmiddellijke motivatie. "Wij organiseren een algemene werkstaking. Die algemene werkstaking moet verdomme doelmatig zijn. Wij willen ze organiseren, we willen niet dat ze ons uit de handen loopt. Dus verkiezen wij arbeidersraden, als stakingscomités." Dat is letterlijk dezelfde oorsprong als die van de Russische raden van 1905 en van februari–maart 1917: als stakingscomités, als rechtstreekse vertegenwoordigers van stakende, strijdende arbeiders.
Maar zeer vlug, door het uiteenspatten van de administratie, van het staatsbestuur in het land (en hier is de analogie die met 1917 of met Duitsland in 1918, en niet met 1905, want in 1905 was de tsaristische administratie niet uiteengespat), door het uiteenspatten, het verdwijnen, de desintegratie van het stalinistische staatsapparaat, waren die arbeidersraden gedwongen om naast hun functies als organisatoren van de algemene werkstaking ook positieve dingen te doen. De bevoorrading van de bevolking organiseren. Ervoor zorgen dat wanneer de elektrische stroom wordt afgesneden voor de nijverheid en voor de kazernes, hij niet wordt afgesneden voor de gewone burgerbevolking: dat de arbeiders zelf thuis stroom krijgen, en water, dat wel wordt afgesneden, ik zeg het nogmaals, voor de kazernes en de andere instellingen die door de bezetter werden gebruikt. Een hele reeks positieve zaken moest dus door die arbeidersraden worden geregeld. Zij begonnen dus, als ge wilt, en op een embryonale wijze, staatsfuncties te vervullen, zoals elke radenorganisatie dat in de geschiedenis van de arbeidersstrijd sinds de Commune van Parijs heeft gedaan.
En dus zeggen we: dat is een revolutie. Degenen die boven zitten, kunnen niet meer regeren. Degenen die beneden zitten, willen niet meer op de traditionele wijze geregeerd worden; zij proberen een andere vorm van regering te krijgen. En nu blijft er nog één vraag over: wat voor soort revolutie is dat?
Het historisch materialisme leert ons dat er in de geschiedenis van de maatschappij verschillende revoluties mogelijk zijn. Er zijn sociale revoluties, er zijn sociale contrarevoluties en er zijn politieke revoluties. Wat is een sociale revolutie? Een sociale revolutie is de overdracht van de macht van een reactionaire op een vooruitstrevende maatschappelijke klasse. Wat is een sociale contrarevolutie? Dat is de terugkeer van de macht van een vooruitstrevende naar een reactionaire maatschappelijke klasse. En wat is een politieke revolutie? Een politieke revolutie is de overdracht van de politieke macht binnen eenzelfde klasse, van de ene fractie van die klasse naar de andere, zonder verandering van de fundamentele productieverhoudingen, zonder verandering van het sociaaleconomische stelsel.
Is dat mogelijk, een politieke revolutie zonder verandering van het sociaaleconomische stelsel? Vanzelfsprekend. We hebben er in de geschiedenis vele gekend. Ik wil er maar twee aanhalen, de twee klassieke voorbeelden die Karl Marx zelf aanhaalt, maar er zijn er vele andere: de Franse revolutie van 1830 en de Franse revolutie van 1848. In beide gevallen hebben we het met een revolutie te doen, vanzelfsprekend. In het eerste geval wordt een dynastie omvergeworpen; in het tweede wordt de monarchie vervangen door de republiek. Hebben we het met een sociale revolutie te doen? Nee. Om van een sociale revolutie te spreken, zoudt ge moeten veronderstellen dat voordien de adel aan de macht was en dat de adel door de burgerij werd omvergeworpen. We weten dat de adel in 1789 door de burgerij werd omvergeworpen. De burgerlijke revolutie heeft in Frankrijk in 1789 plaatsgevonden, en sinds 1789 is Frankrijk een kapitalistisch land. De macht ligt daar in handen van de burgerij, niet van de feodaliteit; de feodaliteit is sinds 1789 uitgeschakeld als maatschappelijk heersende klasse. Wanneer dus sinds 1789 de productieverhoudingen, de sociaaleconomische structuur, de productiewijze kapitalistisch zijn, dan is er vanzelfsprekend noch in 1830 noch in 1848 sprake van een sociale revolutie. Ge kunt geen burgerlijke sociale revolutie tegen de burgerij doorvoeren. Wanneer dezelfde maatschappelijke klasse aan de macht blijft, hebt ge vanzelfsprekend geen sociale revolutie. Wat ge in Frankrijk in 1830 en in 1848 hebt gehad, is een politieke revolutie: dat wil zeggen, een andere fractie van dezelfde heersende klasse kwam aan de macht.
Marx heeft dat beschreven in zijn politieke geschriften over het negentiende-eeuwse Frankrijk. Hij zegt dat het deel van de burgerij dat in 1830 aan de macht kwam, de bankiers waren. De bankiers zijn geen maatschappelijke klasse, ze zijn een onderdeel van een maatschappelijke klasse. De maatschappelijke klasse is de kapitalistenklasse; de bankiers zijn een onderdeel van die klasse. En in de politieke revolutie van 1848 kwam een ander onderdeel van die burgerlijke klasse aan de macht: de nijveraars, de industriëlen. Twee politieke revoluties hebben dus, binnen het kader van eenzelfde sociaaleconomisch stelsel en op basis van dezelfde productieverhoudingen, opeenvolgende fracties van eenzelfde klasse, de burgerij, aan de macht gebracht.
En wij zeggen dus dat een politieke revolutie in de geschiedenis van de overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme iets gelijksoortigs is. Zij herstelt het kapitalisme niet, zij brengt de burgerij niet terug aan de macht. Zij herstelt het privé-eigendom niet. Zij herstelt de uitbuiting van de loonarbeid door het kapitaal niet. Zij herstelt dus niet de macht van een contrarevolutionaire heersende klasse, maar zij verandert de fractie van de loon- en weddetrekkenden, van de loonarbeiders, die de macht uitoefent. De bureaucratie is een fractie van de loon- en weddetrekkenden. Het zijn mensen die loon trekken: veel loon, veel meer loon dan de gewone arbeiders, veel meer privileges, maar privileges in de vorm van loon, van wedde, niet in de vorm van privé-eigendom. Het is dus, als ge wilt, een parasitaire fractie binnen de loon- en weddetrekkenden.
Het is een parasitair kankergezwel, zegt Trotski, op het lichaam van de arbeidersklasse, maar op dat lichaam, niet op dat van een andere klasse. De politieke revolutie verwijdert dat kankergezwel. Zij legt de macht in handen van de massa van de arbeidersklasse. Het is dus een politieke revolutie, een verandering van politiek regime, maar zonder omverwerping van de sociaaleconomische structuur.
Deel 4 (Mandel, III): De tegenstrijdigheden van de lasteraars en de grenzen van de spontaneïteit
Hongarije onder de macht van de arbeidersraden was geen kapitalistisch land. Het was geen land waar de fabrieken werden teruggegeven aan de kapitalisten, of waar de grond die na '45 onder de boeren was verdeeld, werd teruggegeven aan de adel of aan de Kerk. Het behield dezelfde sociaaleconomische structuur. Maar het gemeenschapseigendom werd nu niet meer beheerd door een kleine bevoorrechte bureaucratie. Het werd beheerd door democratisch gekozen arbeiders. Dat is een typisch voorbeeld van een politieke revolutie.
Om te besluiten moeten wij ons nu twee vragen stellen. Ten eerste: hoe kunnen we verklaren dat er nog altijd mensen zijn, zowel binnen de officiële communistische partijen als binnen de maoïstische groepen, die het tamelijk duidelijke karakter van de Hongaarse revolutie van 1956 in twijfel trekken en die revolutie blijven belasteren? Want we kunnen het niet anders noemen. Ten tweede: hoe komt het dat die revolutie is verslagen? Hoe komt het dat de Hongaarse arbeiders, ondanks de geweldige omvang en de geweldige eenparigheid, de eensgezindheid van hun strijd, er niet in geslaagd zijn de overwinning te behalen of te behouden, de macht van de arbeidersraden definitief te vestigen? En dat die arbeidersraden na zes, zeven, acht, negen weken uiteengeslagen en onderdrukt zijn, en dat vele van hun leiders zijn doodgeschoten, opgehangen, in de gevangenis opgesloten of tot emigratie gedwongen?
Eerste vraag: hoe komt het dat het werkelijke karakter van die politieke revolutie nog altijd in twijfel wordt getrokken? Voor de officiële communistische partijen was het zeer lang tamelijk duidelijk, omdat zij als algemene lijn hadden de belangen van de wereldrevolutie en van het internationale proletariaat te vereenzelvigen met de belangen van de Sovjetregering. En aangezien dat een opstand was tegen een bewind dat door de Sovjetregering gesteund werd, was het een contrarevolutionaire opstand. Meer moet ge daar niet achter zoeken. Het is een zuiver syllogisme. Socialisme is gelijk aan Sovjetregering. Verzet tegen de Sovjetregering is gelijk aan verzet tegen het socialisme, dus tegen de revolutie. Het heelal, het geestelijke, mentale, psychologische, intellectuele heelal van een klassieke stalinist van onze Belgische, of van de Franse of de Italiaanse Communistische Partij, was simpel. Een beetje simplistisch, maar enfin, het was simpel en homogeen, en in '56 sloot het als een bus.
In '76 wordt het moeilijker. De vrienden van de Belgische Communistische Partij hebben de stelling dat wie zich verzet tegen gelijk welk besluit van de Russische staatsleiding, tegen het socialisme en dus tegen de revolutie is, zienderogen laten vallen. Vandaag hebben ook zij zich verzet tegen sommige besluiten van de Russische staatsleiding. Zij veroordelen bijvoorbeeld de Russische interventie in Tsjechoslowakije in '68. Zijn zij dan ook anticommunisten? Zijn zij ook handlangers van het westerse imperialisme geworden omdat zij zich daartegen verzetten? Wel, zij komen in een tegenspraak te staan. Zij moeten nu beginnen de gebeurtenissen in Hongarije niet meer met die algemene, simplistische syllogismen te behandelen, maar ze nauwkeuriger, in detail, te onderzoeken. En dan komen zij in moeilijkheden.
Het is moeilijk te bewijzen dat een eensgezinde arbeidersklasse (ik herhaal het: een eensgezinde arbeidersklasse), die wekenlang een totale algemene werkstaking tot een goed einde heeft gebracht, contrarevolutionair is, en dat de arbeidersraden die zij gekozen heeft, democratisch gekozen, in de fabrieken gekozen, op fabrieksvergaderingen gekozen, instrumenten van het internationale imperialisme zouden zijn. De tegenspraak zit trouwens nog dieper. Als wij de documenten bekijken, dan zien we dat Kádár zelf, die tot vandaag de leider van de Hongaarse Communistische Partij en van de Hongaarse regering is, die raden heeft erkend, heeft erkend dat die raden de echte vertegenwoordigers van de Hongaarse arbeiders waren. In verschillende van zijn regeringsverklaringen heeft hij gezegd dat hij die raden als economische organen van bedrijfsbeheer wilde behouden en in de nieuwe Hongaarse grondwet zou opnemen. En ik heb het al gezegd: de Russische militaire bevelhebbers zelf hebben die raden erkend. Hoe is het dan mogelijk dat kameraden van de Belgische, de Franse of de Italiaanse Communistische Partij ons twintig jaar later komen vertellen dat die vrij gekozen arbeidersraden instrumenten van het imperialisme, instrumenten van gelijk welke contrarevolutie zouden zijn, terwijl ze door Kádár en de Russen zelf erkend werden als vertegenwoordigers van de Hongaarse arbeidersklasse?
Meer subtiele goedpraters van de Russische contrarevolutie en van de contrarevolutie van Kádár in Hongarije zeggen: "Wel, het is misschien waar dat die arbeidersraden echte vertegenwoordigers waren van de Hongaarse arbeiders, maar de Hongaarse arbeiders waren verward. Zij waren politiek verward. Door de fouten van Rákosi en Gerő waren ze niet meer bereid de communisten te volgen. Er bestond dus het gevaar dat die arbeidersraden onder invloed zouden komen van linkse sociaaldemocraten, trotskisten, rechtse sociaaldemocraten, kleinburgerlijke partijen, contrarevolutionaire partijen. En dat had op den duur tot een contrarevolutie kunnen leiden."
Wel, het antwoord daarop werd niet alleen door de Vierde Internationale gegeven; het werd zelfs gegeven door de Joegoslavische communist Tito. Men kan moeilijk loochenen dat hij een communist is, en een communist die iets afweet van het veroveren van de macht. Hij is tenminste de enige communist in Europa die na de Tweede Wereldoorlog aan het hoofd van een communistische partij de macht heeft veroverd in zijn eigen land en met zijn eigen krachten. En Tito heeft in november 1956 gezegd: "Wat de Russen en de Hongaarse fractie-Kádár niet hebben gedurfd in Hongarije, dat is de grote tactische regel van het leninisme uit de Russische Revolutie toepassen: alle macht aan de raden. Als de Hongaarse communisten het hadden gedurfd de leuze 'Alle macht aan de raden' uit te geven, dan zou hun politieke invloed in de Hongaarse arbeidersklasse geweldig zijn gestegen, en dan hadden zij tenminste de kans gehad hun verloren politieke prestige geleidelijk terug te winnen." En hij heeft eraan toegevoegd: "Men had altijd nog kunnen ingrijpen, altijd nog tussenbeide kunnen komen, zes maanden later, een jaar later, twee jaar later, nadat die politieke ervaring was opgedaan. Men heeft die politieke ervaring niet willen laten opdoen." Hij zegt niet waarom, maar voor mij is het duidelijk. Omdat de Russische bureaucratie schrik heeft van arbeidersraden, schrik heeft van arbeidersdemocratie, schrik heeft van radendemocratie, schrik heeft van de uitoefening van de macht door de arbeidersklasse zelf.
Voor onze maoïstische vrienden is de tegenspraak nog groter. Het is voor hen nog moeilijker een verklaring te geven, in maatschappelijke, marxistische klassentermen, van de gebeurtenissen in Hongarije. Zij staan voor het volgende raadsel. In Rusland bestaat het kapitalisme. Het kapitalisme is hersteld door Chroesjtsjov, als ik me niet vergis op het Twintigste Congres van de Russische Communistische Partij, in februari '56. De contrarevolutionair Chroesjtsjov, vertegenwoordiger van het sociaalimperialisme en van het sociaalfascisme, intervenieert in Hongarije tegen de Hongaarse arbeiders. De contrarevolutie intervenieert tegen de contrarevolutie. Eigenaardig. Kunnen we dat logisch met elkaar rijmen? Is Chroesjtsjov misschien in Hongarije tussenbeide gekomen om de dictatuur van het proletariaat te verdedigen? Maar waarom zou Chroesjtsjov, die de dictatuur van het proletariaat in Rusland ten val heeft gebracht, de dictatuur van het proletariaat in Hongarije verdedigen? Dat is toch een eigenaardige zaak.
Chroesjtsjov vertegenwoordigt het sociaalimperialisme dat de andere Oost-Europese landen tot kolonies heeft gemaakt. Een opstand in de kolonies, zelfs een opstand van de burgerij, is een vooruitstrevende opstand. Misschien hebben we in Hongarije te doen met een vooruitstrevende opstand van de nationale burgerij? Nee, zegt men, we hebben te doen met een contrarevolutie. Een contrarevolutie tegen het sociaalimperialisme. Dat is toch een buitengewoon eigenaardige zaak, waar ge moeilijk een mouw aan kunt passen. En die contrarevolutie tegen het sociaalimperialisme wordt uitgevoerd door miljoenen arbeiders, georganiseerd in hun bedrijven, in arbeidersraden die de fabrieken overnemen, de fabrieken in handen nemen, de macht in handen nemen, de wapens in handen nemen. Om wat te doen? Om die fabrieken terug te geven aan het kapitalisme? Waar hebt ge ooit een arbeidersklasse gezien die dat doet? Die de fabrieken in handen neemt, het bestuur van de fabrieken in handen neemt, alleen maar met het verlangen ze terug te geven aan de klassenvijand?
Die klassenvijand was er trouwens niet meer: de burgerij was daar fysiek niet meer aanwezig. De Hongaarse burgers zaten in Amerika en in West-Duitsland, niet in Hongarije. Ze waren gaan lopen, en vanuit hun standpunt terecht, omdat ze daar niets meer in de pap te brokken hadden. En wat die Hongaarse arbeiders met die bedrijven wilden doen, kunt ge lezen in hun verklaringen. Want ze hebben allemaal een programma gepubliceerd, een reeks programmapunten, eisenpunten, en in brochures en andere geschriften zijn daar vele voorbeelden van gegeven. Ge kunt al die verklaringen, declaraties, programma's en eisenprogramma's van die arbeidersraden bekijken: er is geen enkel voorbeeld te vinden waarin niet letterlijk staat (want die arbeiders zijn klassenbewuste arbeiders, en arbeiders die verstandig genoeg zijn om te begrijpen wat voor lasterpraat men internationaal tegen hen zal gebruiken), er is geen enkele verklaring van een arbeidersraad waarin niet letterlijk staat: wij zijn tegen het herstel van het privé-eigendom. Wij zijn tegen het teruggeven van onze bedrijven aan de vroegere kapitalistische eigenaars. Wij zijn tegen het teruggeven van de grond aan de vroegere grootgrondbezitters. Wij zijn voor het beheer van de genationaliseerde, gesocialiseerde fabrieken door de arbeiders zelf.
En ik vraag aan de maoïstische vrienden: is dat het programma van de burgerlijke contrarevolutie? Een programma dat zegt: tegen het herstel van het kapitalisme, tegen het herstel van het kapitalistische privé-eigendom, voor het beheer van de bedrijven door de arbeiders zelf, is dat een kapitalistisch programma? Is dat een contrarevolutionair programma? Is dat een fascistisch programma? Of is dat het normale programma van een arbeidersrevolutie?
Ge hebt dus een dubbele tegenstelling, een dubbele contradictie. De sociaalfascist Chroesjtsjov als vertegenwoordiger van de dictatuur van het proletariaat; en de sociaalfascist, sociaalimperialist en hersteller van het kapitalisme Chroesjtsjov als vertegenwoordiger van de dictatuur van het proletariaat tegen het proletariaat, tegen de Hongaarse arbeiders. Want hij intervenieert niet tegen de burgerij. Hij intervenieert niet tegen Amerikaanse of West-Duitse legers. Hij intervenieert tegen Hongaarse arbeidersraden, tegen Hongaarse arbeiders die de fabrieken bezet hebben en die de algemene werkstaking op een buitengewoon doelmatige wijze hebben georganiseerd. Daar is dus, zoals gezegd, geen Mao aan te passen. Het is tegenstrijdig.
En de enige reden (want er is geen andere reden) waarom onze maoïstische vrienden niet durven zeggen dat de Russische interventie van Chroesjtsjov in Hongarije evenzeer contrarevolutionair, evenzeer schandalig, evenzeer onderdrukkend en uitbuitend is geweest als de Russische interventie tegen Tsjechoslowakije in 1968, is dat Mao Zedong toevallig die interventie toen heeft goedgekeurd. En aangezien Mao Zedong zich per definitie nooit kan vergissen, en men per definitie nooit iets anders mag zeggen dan Mao Zedong, mogen onze maoïstische vrienden niet erkennen dat in Hongarije hetzelfde is gebeurd als in Tsjechoslowakije.
Er is absoluut geen verschil. Als er een verschil is, dan is het in het voordeel van de Hongaren. Want in Tsjechoslowakije hebt ge niet zoveel arbeidersraden gehad, geen algemene werkstaking, niet zo'n duidelijke, honderd procent duidelijke houding van de arbeidersklasse als in Hongarije. In Tsjechoslowakije was er een klein beetje meer verwarring, maar een klein beetje, hè; het verschil is niet zeer groot, maar een klein beetje meer verwarring. In Hongarije waren de zaken duidelijker qua zelforganisatie van de arbeidersklasse, qua algemene werkstaking, qua arbeidersstrijd, en qua duidelijk nationale onderdrukking van een volksopstand en een arbeidersrevolutie door een grote vreemde supermogendheid. Maar aangezien die supermogendheid op dat ogenblik niet door Mao is bekritiseerd, wel, staan onze maoïstische vrienden daar nu nog altijd met hun mond vol pap.
Hoe komt het dat die zaak niet heeft gewonnen? Wel, hier kunnen we een buitengewoon belangrijke conclusie trekken over de grens van de spontaneïteit van de arbeiders. Wij geloven dat het revolutionaire marxisme, dat het leninisme inhoudt: erkenning van de noodzakelijke spontaneïteit van de arbeiders, van de noodzakelijke autonomie van de werkende klasse, van de geweldige opgang van spontane arbeidersstrijd in voorrevolutionaire en revolutionaire tijden. Lenin zelf heeft trouwens, zowel in 1905 als in 1917, over zulke spontane massabewegingen diepgaandere, meer erkennende, geestdriftigere woorden geschreven dan wie ook in de geschiedenis van de arbeidersbeweging, Trotski en Rosa Luxemburg inbegrepen. Het verschil tussen spontaneïsten en leninisten, tussen spontaneïsten en revolutionaire marxisten, bestaat er niet in dat de leninisten en de revolutionaire marxisten de spontane massabeweging onderschatten, niet erkennen, veroordelen, afbreken, vergruizen. Nee, het bestaat er alleen in dat zij de grenzen van die beweging erkennen. Dat zij erkennen dat de spontane massabeweging een noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarde is voor een zegevierende revolutie.
Een noodzakelijke voorwaarde, want zonder spontane massabeweging zult gij geen miljoenen en miljoenen mensen in beweging brengen, en zult gij die ABC-waarheid van het marxisme niet kunnen verwezenlijken: dat de bevrijding van de arbeidersklasse het werk van de arbeidersklasse zelf moet zijn. Niet het werk van de partij, niet het werk van de partijleiding en niet het werk van de partijvoorzitter, maar het werk van de arbeidersklasse zelf. Maar die spontaneïteit alleen volstaat niet. En Hongarije is, na Spanje, na het Spanje van juli, augustus, september, oktober, november 1936, het tweede beste voorbeeld van de grenzen van die spontaneïteit.
Spontaan zijn arbeiders in staat een zegevierende algemene werkstaking door te voeren. Ja. Spontaan zijn zij in staat fabrieken te bezetten. Ja. Spontaan zijn zij in staat arbeidersraden te vormen. Ja. Maar spontaan zijn zij niet in staat een politiek project, een politiek programma, een politiek ontwerp voor de verovering van de politieke macht uit te werken, dat hen in staat stelt al hun vijanden, al degenen die de uitoefening van die politieke macht willen beletten, verhinderen of onderdrukken, te beletten hun, laten we zeggen, schandalige berekeningen en schandalige plannen te verwezenlijken.
Deel 5 (Mandel, IV): Waarom de raden verloren: alle macht aan de raden
Spontaan kunt ge geen ingewikkelde, gecompliceerde, zeer, zeer complexe strategie verwezenlijken voor de verovering van de politieke macht, voor de centralisatie van de politieke macht van de arbeidersklasse. Daarvoor is een politieke leiding, een politieke voorhoede, een revolutionaire partij absoluut nodig.
En die revolutionaire partij was er niet in Hongarije in '56. Wat we dus beleefd hebben, is een herhaling, ik zeg het nogmaals, van wat we in de Spaanse revolutie van '36 gezien hebben: arbeidersraden die op het vlak van elk bedrijf weten wat ze moeten doen. De eerste stap vooruit, die kennen ze; die kunnen arbeiders normaal bereiken met hun gezond verstand, hun klasse-instinct en hun elementair klassenbewustzijn. Eerst de staking organiseren, dan het bedrijf bezetten, dan de productie onder hun eigen leiding opnieuw op gang brengen. Ik zeg niet dat het gemakkelijk is, maar enfin, daarvoor moet ge geen geleerde zijn en geen zeer grote ervaring met revolutionaire organisatie hebben. Maar eens ge de tweede, de derde, de vierde stap moet zetten… Hoe moeten die raden zich nu onderling centraliseren? Wat moeten ze in die centralisatie doen? Met wie moeten ze onderhandelen? Wie moeten ze uitschakelen? Hoe moeten ze zich bewapenen? Hoe moeten ze proberen een project voor de verovering van de politieke macht uit te werken? Daar stuiten ze op onoverkomelijke moeilijkheden wanneer er geen bewuste politieke voorhoede, geen bewuste revolutionaire partij is.
En dat hebben we gezien. Het maximum dat de Hongaarse arbeiders spontaan hebben kunnen verwezenlijken, en zelfs dat was niet meer helemaal spontaan, want er begon zich binnen de arbeidersraden een kleine kern van revolutionaire voorhoedemilitanten te vormen… Het is een van die militanten die het voorstel heeft gedaan om een centrale arbeidersraad op te richten: Miklós Krassó. Hij is nu trouwens in West-Europa, hij woont in Engeland, ge kunt met hem spreken en hem naar zijn ervaringen vragen, hij kan dat allemaal in detail vertellen. En dat voorstel werd praktisch onmiddellijk aanvaard door alle arbeidersraden van Boedapest. Dat is dus het maximum geweest dat men heeft kunnen bereiken: dat vier- of vijfhonderd van de grootste bedrijven en bedrijfjes uit Groot-Boedapest een centrale arbeidersraad hebben gevormd uit afgevaardigden die in elk van die bedrijven verkozen waren.
Maar wat die arbeidersraad juist moest doen, daarover begon twijfel te bestaan. De enen zegden binnen die raad: alleen de staking verder organiseren, de algemene werkstaking verder organiseren. En dat leidde vanzelfsprekend naar een doodlopende straat. Ge kunt niet maandenlang staken zonder een concreet project te hebben. Ge kunt het bedrijfsleven, de productie van een modern land niet maandenlang stilleggen zonder voor te stellen wat ge in de plaats van de bestaande politieke regering wilt stellen. Anderen zegden: met de Russen onderhandelen, opdat zij Kádár opzij zouden schuiven en de regering-Nagy opnieuw zouden erkennen, of ons zouden erkennen als vertegenwoordigers van de Hongaarse arbeidersklasse en het Hongaarse volk. Nog anderen zegden: "Nee, met Kádár onderhandelen, opdat Kádár ons zou erkennen als vertegenwoordigers van de Hongaarse arbeidersklasse en ons zou opnemen in de nieuwe Hongaarse grondwet en in de nieuwe manier van besturen in Hongarije." Een vierde groep zegde: met de Russen en met Kádár onderhandelen, en het eens worden met wie ons de meeste toegevingen doet; als het de Russen zijn, oké, als het Kádár is, oké. Een vijfde zegde: met niemand onderhandelen, want als ge onderhandelt, wordt ge bedrogen. Enzovoort, enzovoort.
En eens daar geen politieke lijn meer in zat, geen strategische conceptie; eens zij niet wisten wat zij met die geweldige macht die zij potentieel bezaten werkelijk wilden en konden doen; en eens er praktisch niemand was (want dat is een feit: geen enkele groep, zelfs niet die kleine revolutionaire kern die zich daar aan het vormen was) die het precieze project uitwerkte om niet alleen het beheer van de bedrijven, maar heel de staatsadministratie in handen te leggen van een radenbewind, een sovjetbewind, dan was het maar een kwestie van tijd. Kádár en de Russen zouden die macht zien afnemen door desintegratie, vermurwing, vermoeidheid. Meer en meer groepen arbeiders, die na vijf, zes, zeven weken staken het beu begonnen te worden om verder te staken zonder politiek doel, zonder duidelijk politiek project…
En de tactiek van Kádár was ook zeer duidelijk en zeer handig, en ze is tenslotte gelukt. Ze bestond erin alle toegevingen te doen op papier, alle toegevingen, zelfs op de radio en op de televisie, op één voorwaarde: stop de algemene werkstaking. Het is een truc die hij van de kapitalisten en de burgerlijke regeringen heeft geleerd; die kennen hem ook goed. Zolang de staking duurt, zolang de macht van de arbeiders er is, beloof alles wat ge wilt. Maar eens de staking voorbij is, eens die macht er niet meer is, kunt ge twee derde, drie vierde, negen tiende van al uw beloften weer intrekken, want dan is er geen macht meer om de uitvoering van die beloften af te dwingen. En ge kunt dus in de kranten van toen lezen, de officiële kranten van Hongarije, de officiële pers van de Hongaarse stalinisten, en in de radio- en televisieberichten, dat Kádár zegt: erkenning van de raden? Ja. Vrijgeleide voor alle leden van de arbeidersraden? Ja, niemand zal worden opgesloten, niemand zal worden vervolgd. Ja. De raden in de grondwet opnemen? Ja. Stakingsrecht? Ja. Alles: ja, ja, ja, ja, ja. Alleen op één voorwaarde: breng de productie opnieuw op gang. Laat de treinen opnieuw rijden. Laat de bussen en de trams opnieuw rijden. Laat de waterleiding opnieuw functioneren. Laat de elektriciteitscentrales opnieuw werken, en dan zullen we al de zaken die wij u beloven wel verwezenlijken.
En eens de ontredderde arbeidersraden, ontredderd bij gebrek aan concrete politieke doelstellingen en aan revolutionaire leiding, toegevingen begonnen te doen over de werkhervatting, werden al die beloften ingetrokken. Toen werden de eerste arbeidersraden, de leden van de eerste arbeidersraden, opgesloten, doodgeschoten, opgehangen, of moesten ze vluchten om niet doodgeschoten en opgehangen te worden. Toen was er geen sprake meer van erkenning van de raden, geen sprake meer van erkenning van het stakingsrecht in de grondwet. Toen werd dat allemaal ingetrokken, en zegevierde een contrarevolutie, een bureaucratische contrarevolutie tegen de arbeidersklasse.
De conclusie die wij daaruit kunnen trekken, is dat er geen ander middel bestaat om de rechtstreekse heerschappij van de arbeidersklasse te verwezenlijken dan een geïnstitutionaliseerde arbeidersmacht in arbeidersraden, met revolutionaire politieke partijen, met een revolutionaire politieke voorhoede die binnen die raden de meerderheid voor de revolutionair-marxistische lijn wint: niet met administratieve middelen, niet met repressie, niet met onderdrukking, niet met schending van de democratische rechten en vrijheden van het werkende volk, maar met overtuiging, met de mogelijkheid van politieke overtuiging, met de kracht van haar juiste politieke lijn en haar juiste politieke programma.
Elk ander model van een zogenaamde socialistische staat of een zogenaamd socialistisch land (wij zeggen: van een overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme onder de dictatuur van het proletariaat) zal ontaarden in een bureaucratisch regime, een regime waarin de arbeidersklasse de macht niet rechtstreeks uitoefent. En we zullen de gelegenheid hebben in de volgende weken en maanden (eigenlijk hebben we die gelegenheid de laatste maanden al gehad, maar enfin, sommigen zijn niet zo vlug als anderen om daar conclusies uit te trekken), in de volgende weken, maanden en jaren, om in de praktijk te beleven dat het model van Mao een illusie was, zoals wij altijd hebben gezegd. Dat massamobilisaties alleen niet volstaan om bureaucratie te verhinderen. Dat cultuurrevoluties alleen niet volstaan om bureaucratische machtsconcentratie te verhinderen. Wij beleven dat nu op een zeer duidelijke wijze, en men zal niet lang moeten wachten tot in China alle verschijnselen zeer, zeer gaan lijken op die van Stalin, Chroesjtsjov en Brezjnev: op economisch gebied, op maatschappelijk gebied, op politiek gebied, op cultureel gebied, op het gebied van de samenwerking met het Westen, van het navolgen van het westerse ontwikkelingspatroon, van het invoeren van techniek, van organisatie, van bedrijfsbeheer volgens de patronen die men aan westerse universiteiten leert.
Ge zult zien: binnen zes maanden, binnen een jaar, binnen twee jaar, binnen drie jaar krijgt ge die managersfaculteiten waarover de maoïstische pers nu zoveel spreekt als het over Rusland gaat. Diezelfde managersfaculteiten gaat ge in China krijgen. Alle economische voorbereidingen daarvoor zijn al getroffen. Dat is het wezen van de verandering in de politieke leiding die zich de jongste weken in China heeft voltrokken: dat diezelfde administratie en datzelfde ontwikkelingspatroon daar worden ingevoerd. En dan zult ge uw conclusie moeten trekken.
Mao heeft het goed bedoeld. De Rode Garde heeft het goed bedoeld. De revolutionaire rebellen hebben het goed bedoeld. De revolutionaire massa's en de maoïsten in het Westen hebben het goed bedoeld. Maar gij kunt de macht van de bureaucratie niet breken op het gebied van de cultuur, van de ideologie, van de bovenbouw, wanneer gij haar instellingen niet breekt. En haar instellingen, dat is het monopolie op de uitoefening van het beheer in staat en economie, in staat en bedrijfsleven. Er is maar één middel om de macht van de bureaucratie te breken: alle macht in handen van democratisch gekozen raden van arbeiders, boeren en soldaten. Alle macht in handen van een democratisch gekozen nationaal en internationaal congres van arbeiders-, boeren- en soldatenraden, naar het model van Staat en revolutie, naar het model van de Oktoberrevolutie, naar het model van de programmatische documenten van de Communistische Internationale.
Bij deze tekst
Bron. Bewerkte transcriptie van de vijf MP3-bestanden die Herman Michiel van zijn cassette uit 1976 digitaliseerde (Marxists Internet Archive, december 2006). De basis is een automatische transcriptie (Notta); twijfelachtige passages zijn opnieuw beluisterd met een tweede automatische transcriptie (Whisper). De opname duurt ongeveer 85 minuten; de vragen en antwoorden zijn niet opgenomen, en het begin van de inleiding ontbreekt.
Bewerking. Licht geredigeerd voor publicatie: stopwoorden, valse starts en herhalingen zijn weggelaten, zelfcorrecties van de spreker zijn stilzwijgend doorgevoerd en de zinsbouw is waar nodig rechtgetrokken. De Vlaamse spreektaal van Mandel (ge, gij, baaske, enfin) is bewaard. De alinea-indeling en de tussentitels zijn van de redactie. Er is ook een Engelse vertaling.
Verbeteringen. - Kominform: de Joegoslavische communisten werden in 1948 uit de Kominform gesloten. Zo hoort men het op de opname; de transcriptie had "Comecon". - Júlia Rajk: de weduwe van Rajk heet in beide transcripties "Elsa". Haar naam was Júlia Rajk (geboren Földi). Ze leefde in 1976 nog in Boedapest en overleed in 1981. De herbegrafenis van László Rajk vond plaats op 6 oktober 1956. - Stichting Léon Lesoil: de transcripties verhaspelen de naam van de organisator ("Lion de Grol", "Rion de Zwal"). De Stichting Léon Lesoil was de vormingsstichting van de RAL/LRT, genoemd naar de Belgische trotskist Léon Lesoil (1892–1942). - SJW: de Socialistische Jonge Wacht, de jongerenorganisatie van de RAL. Alle transcripties horen "SCW"; SJW is bevestigd. - Miklós Krassó (1930–1986), door Mandel "Nicholas" genoemd: hij was in 1956 actief in Boedapest, vluchtte naar Groot-Brittannië en schreef in New Left Review als Nicolas Krasso. Mandel antwoordde hem daar in 1968 over het marxisme van Trotski. - De zitting van het Poolse Centraal Comité die Gomułka tot eerste secretaris koos, het Achtste Plenum, vond plaats op 19–21 oktober 1956, niet op 23 oktober zoals Mandel zegt. Dat is zo gelaten.
Namen. Hongaarse namen staan in hun Hongaarse spelling (Rákosi, Gerő, Kádár, Rajk, Petőfi, Krassó); Russische namen in de gebruikelijke Nederlandse spelling (Chroesjtsjov, Brezjnev, Trotski).
Achtergrond. "De verandering in de politieke leiding die zich de jongste weken in China heeft voltrokken" is de arrestatie van de Bende van Vier op 6 oktober 1976, een maand na de dood van Mao. Mandel kondigt vijf redenen voor de opstand aan, maar nummert er maar vier. Het "geen Mao aan te passen" in deel 4 is Mandels woordspeling op er geen mouw aan kunnen passen.